Om te oefenen met verwijswoorden kun je dit doen (het wordt steeds een beetje moeilijker):
1. EERST MAAR EENS ANDERSOM:
Maak een zijn die begint met Hij of Zij, bijvoorbeeld:
Hij gooit het propje naast de prullenbak.
Wie is die hij? Dat zal toch wel een jongen of een man zijn! Vervang 'hij' eens:
De jongen gooit het propje naast de prullenbak.
De 'Hij' uit de eerste zin verwijst naar 'de jongen' uit de tweede zin.
Opdracht 1:
Maak drie zinnen die beginnen met 'Hij' of 'Zij'.
Schrijf die zinnen nog eens en vervang dat woord door een persoon.
2. NU IN DE GOEDE VOLGORDE:
In plaats van dat je met 'Hij' of 'Zij' begint, maak je een zin met een persoon erin, bijvoorbeeld:
De vriendin houdt van voetbal.
Nu kun je verwijzen naar 'de vriendin' door die woorden te vervangen door 'Zij':
Zij houdt van voetbal.
'Zij' verwijst nu naar 'Het meisje'.
Opdracht 2:
Maak drie zinnen die beginnen met een persoon (de jongen, het meisje, de vrouw, de man, de juf, de tandarts, de buurvrouw enzovoort).
Schrijf die zinnen nog eens, maar vervang je persoon door 'hij' of 'zij'.
Nu heb je zelf verwijswoorden gemaakt!
3. VERWIJZEN MET "HET"
Bij woorden waar je 'het' voor moet zetten, bijvoorbeeld 'het schip', 'het mes' of 'het bord', moet je niet 'hij' of 'zij' gebruiken om te verwijzen, maar 'het'. Kijk maar:
Het schip ligt in de haven
Het vertrekt morgen naar Engeland.
Opdracht 3:
Maak drie zinnen die beginnen met een 'het-woord'.
Schrijf die zinnnen nog eens, maar nu vervang je het 'het-woord' door (alleen) 'het'.